Over drie generaties vrouwen, hun eten, hun verzet en de geur die blijft hangen als de pannen allang koud zijn.
‘Je kan zeker lekker koken?’ vroeg een Amsterdamse man mijn moeder eens, half bewonderend, half begerig.
Mijn moeders blik vernauwde zich.
De Indische Grace Kelly veranderde in de IJskoningin.
‘Ik hóu niet van koken,’ zei ze afgemeten.
En toen we thuiskwamen, maakte ze de heerlijkste bami die ik ooit proefde.
Vol smaak, vol liefde… en vol verzet.
Ik mis haar bami nog steeds.
Misschien omdat er iets in zat wat geen enkel recept kan beschrijven.
Waardigheid, trots, liefde. Haar kooksels waren niet voor iedereen. En zeker niet voor mensen die clichébeelden hadden van Indische vrouwen.
Haar bami is onovertroffen; nog steeds heb ik geen bami gegeten die zo heerlijk smaakt als de hare.
Mijn oma, die bij ons in huis woonde, kookte graag: smeerpropjes (het smaakt veel lekkerder dan het klinkt); iets met bananen en meel en dan gebakken in olie. Maar waar ik dol op was, was haar stoof: een lekkere dikke soep met kool, wortel en vlees. Borden vol heb ik daarvan gegeten: ’s morgens, ’s middags en ’s avonds, want ja – ik kreeg meestal een warm ontbijt als kind.
Mijn oma, anders dan mijn moeder, was gul met haar kooksels. Soms gingen we met de taxi, want we hadden geen auto, met pannen vol eten naar iemand toe, en de taxichauffeur kreeg natuurlijk ook iets te eten. Ik herinner me hoe ik met een geurige pan vol babi kecap bij de huisarts zat op 3 januari: breng dit even naar de dokter en wens hem gelukkig nieuwsjaar.
Misschien was dat het verschil tussen hen:
mijn oma kookte om te delen, mijn moeder om te bewaren.
Mijn grootmoeder was nog diep verbonden met de smaak en geur van het moederland.
De generatie van mijn moeder hield zich vast aan die herinnering en probeerde tegelijk te aarden in het nieuwe thuisland.
En de generatie waar ik toe behoor – wij raakten los van onze oorsprong om hier een veilig leven op te bouwen.
En ik? Ik kan niet koken. Ik kan wel heel goed eten.
Over mij werd thuis gezegd: ‘je bent een echt soepkind’ vanwege de stoof, en ik was gek op bubur menado.
Of ik werd liefkozend ‘rijstepikker’ genoemd, omdat ik alle korrels rijst van mijn bord opat.
Ik heb niet willen leren koken — uit trouw aan mijn moeders verzet, haar ‘ik hou niet van koken’.
En ook omdat ik in de jaren zeventig mijn eigen strijd voerde.
Terwijl mijn moeder ayam goreng voor ons bakte, bakte ik mijn idealen.
In mijn paarse overall, met het vrouwenteken om mijn hals, wilde ik alles anders doen.
Voor mij geen ‘het enige recht van een vrouw is het aanrecht’.
Voor mij geen keuken, geen recepten, geen herhaling van wat Indisch vrouw-zijn had betekend.
Maar hoe ik ook vocht tegen de rijststomer en de wadjan, er bleef iets aan me kleven.
De geur van gebakken trassi. Het sissen van olie in een te kleine pan.
De manier waarop mijn moeder haar lepel neerlegde — als een punt achter een zin die ze niet uitsprak.
Ik dacht dat ik me losmaakte, maar ik droeg haar gebaren ongemerkt mee.
Misschien is dit mijn vorm van koken: woorden schikken, herinneringen roeren, stilte laten garen tot ze verteerbaar wordt.
En nu?
Nu heb ik spijt dat ik niet vaker met mijn grootmoeder en moeder in de keuken heb gestaan.
Spijt dat ik niet beter geluisterd en gekeken heb naar ‘een snufje van dit en een vingerkootje van dat’.
Wat mis ik de smaak en de geur van hun eten.
En toch… toch geef ik de smaak en de geur van mijn oma en moeder door: waardigheid, trots, grenzen stellen, gul zijn, delen.
Niet aan iedereen, maar aan hen die mij in gelijkwaardigheid ontmoeten.
En gelukkig zijn daar onze kinderen, de volgende generatie.
Hun band met Nederland en Indonesië is soepeler, minder gecompliceerd.
Ze zijn dol op Indonesië, gaan er graag heen en voelen zich thuis in Nederland.
Ze houden alle drie van Indisch eten — en twee van de drie koken graag Indisch. En lekker!
Misschien is dat wat overerving werkelijk is: smaken die zich omvormen tot waarden.
Ik kook niet, maar ik hoop dat ik hen voed met verhalen, met aandacht, met stilte aan tafel.
En soms, als ik een vleug gebakken knoflook met trassi ruik, is het alsof ze er allebei weer zijn — mijn moeder met haar waardigheid, mijn oma met haar gulheid.
Dan weet ik: ik ben goed gevoed.

0 reacties