Er zijn momenten dat ik iemand zie stilstaan in een ruimte.
Niet zichtbaar verdrietig, niet hoorbaar moe.
Ze lacht, maakt contact, lijkt helder aanwezig –
maar ik herken iets in haar ogen.
Ze lijkt op mij.
Ik weet hoe het voelt om met een glimlach te zwijgen.
Om je terug te trekken terwijl je juist verlangt naar nabijheid.
Om te hopen op een aanraking – een kus misschien –
maar je lippen houden zich stil.
Je lichaam maakt zich net iets steviger, net iets zelfstandiger.
Je hart wacht… maar vraagt niets.
Laatst wilde ik mijn man zeggen dat ik behoefte had aan een kus.
Niet zomaar, maar die ene, waarmee je zegt: ik zie jou echt.
En toch bleef ik stil.
Ik deed de afwas, maakte een grap, gaf hem een glimlach.
Alles behalve wat ik werkelijk wilde geven:
mijn verlangen, mijn zachtheid, mijn vraag.
En ik zie het ook bij mijn kinderen.
Wanneer ze dichtbij komen, mij nodig hebben –
of gewoon alleen maar mij willen voelen.
Dan voel ik het in mij bewegen,
een schaduw van mijn moeder.
Een automatische reactie die zegt: doorgaan, sterk blijven, niet teveel voelen
Pas als de storm geluwd is, vertel ik vriendinnen dat het zwaar was.
Als ik weer overeind sta. Als ik me weer toonbaar voel.
“Waarom zeg je dat niet als je er middenin zit?”, vragen ze.
En ik zeg: “Ik weet het niet.”
Maar ik weet het wel.
Het is oud.
Toen ik klein was vroeg ik mijn moeder naar haar tijd als jong Indisch meisje in de Japanse tijd.
Ze keek weg.
Mijn oma hoorde het gesprek en zei zacht: “Soedah… laat maar.”
En dus liet ik het.
In onze vrouwenlijn zitten eeuwen aan verhalen die zich hebben aangepast, stilgehouden, verdicht.
Er zit kracht in. Maar ook iets dat zich sluit.
Een lichaam dat geleerd heeft om niet te veel te verlangen.
Een hart dat zich beschermt met onafhankelijkheid.
Ik heb lang gedacht dat dit gewoon zo was.
Dat dit was wie ik was.
Tot ik begon te luisteren.
Naar de vrouwen vóór mij.
Naar de stilte onder de stilte.
Naar de fluistering van de njai.
De njai — de inheemse vrouw die diende, liefhad, kinderen baarde
maar zelden een plek kreeg.
Zij die aanwezig was in de marge,
die gaf zonder te nemen,
die liefhad zonder zeker te zijn van haar plaats.
Haar verhaal leeft in ons voort.
Niet altijd letterlijk,
maar in onze schroom, onze kracht, onze terughoudendheid.
In het verlangen om te verbinden,
en tegelijkertijd het niet kunnen verdragen van al te veel nabijheid.
Ik weet dat ik niet de enige ben.
Ik ontmoet vrouwen die net als ik hun gevoel pas tonen als het ‘weer veilig’ is.
Die zichzelf goed kunnen redden –
maar zich soms verloren voelen in hun eigen onafhankelijkheid.
Die diep verlangen naar aanraking, echtheid, overgave,
maar iets in hen trekt zich terug.
Voor die vrouwen –
voor jou, misschien –
heb ik de workshop De Fluistering van de Njai ontwikkeld.
Een dag waarin je mag luisteren naar wat je lichaam al zo lang weet.
Waarin je niet hoeft te verklaren of bewijzen,
maar alleen maar hoeft te zijn.
Waar je mag erkennen wat jou gevormd heeft,
en wat je niet langer mee wilt dragen.
Waar je de kracht van jouw vrouwenlijn ontmoet –
de zachtheid, het verlangen, de overgave.
En waar je mag oefenen met het toelaten van wat je altijd al zocht:
nabijheid, verbinding, rust.
We werken met opstellingen, rituelen, muziek, spoken word en dans.
Want sommige dingen kunnen alleen maar gevoeld worden –
niet gezegd.
Deze workshop is geen therapie.
Het is een bedding.
Een ruimte waarin iets ouds eindelijk mag bewegen.
Waar jij mag bewegen.
Zachtjes, zoals het klopt voor jou.
De vrouwen vóór ons dragen ons.
Hun fluisteringen bewegen nog in ons lichaam.
En misschien is het tijd om te luisteren.
Misschien is het tijd om jezelf toe te laten.
0 reacties